Op weg naar circulaire verdienmodellen

Mijn gewaardeerde collega Willemien schreef er in haar vorige blog al even over. In een interessant verhaal werd en passant -weliswaar onder het laatste puntje, punt 5, maar het is haar vergeven- het Product as a Service Model genoemd. Het fenomeen waarbij de consument in de toekomst niet meer gaan betalen voor eigendom, maar voor gebruik. Vanuit mijn economische achtergrond vooral interessant vanaf de andere kant; hoe gaan bedrijven daar nou mee om?


Er ontstaat een deeleconomie. De consument en dus ook de bedrijven denken steeds vaker na over consumeren. Wat gebruik ik eigenlijk? Waar komt dit vandaan en wat gaat er gebeuren met dit product als ik het niet meer gebruik? In de huidige lineaire economie is het ‘simpel’. Een bedrijf produceert wat, de consument gebruikt het en we gooien het bij het afval. Dat afval wordt -gelukkig- steeds vaker hergebruikt, maar dat is toch nog altijd vrij lastig. In een circulaire economie werkt het echter anders. In een circulaire economie wordt er namelijk nagedacht over de manier waarop het geproduceerd wordt, zodat het ook weer heel makkelijk te hergebruiken is. Minder afval, minder productie en minder vervuiling. Een prachtige ontwikkeling!

Wat helemaal past in die ontwikkeling is het Product as a Service Model. Het PaaS-model sluit uitstekend aan bij een economie gebaseerd op het aanbieden van diensten in plaats van het aanbieden van producten. Denk bijvoorbeeld aan Uber, AirBNB, maar ook aan het aanbieden van licht in plaats van lampjes en het aanbieden van matrassen in plaats van het verkopen. Doordat bedrijven deze diensten aanbieden blijven ze eigenaar over het product en is het in hun voordeel om het product zo te ontwerpen dat het makkelijk te repareren/ hergebruiken is als de consument klaar is met het gebruik.

Echter, in een organisatie de overstap maken van een lineair verdienmodel naar een circulair verdienmodel, waarbij je eventueel gebruik gaat maken van een PaaS-model, is nog niet zo makkelijk. Er is vaak organisatorische weerstand, de logistiek rondom het terughalen van je eigen product moet geregeld worden. De vraag blijft altijd of het wel voldoende oplevert én of het daadwerkelijk tot milieuwinst leidt, de consument is er misschien niet op ingesteld, etc, etc. Veel vragen. Vragen die we bij KNN kunnen beantwoorden. Tegelijkertijd vergaren we nog meer kennis over het onderwerp doordat Micha Klaarenbeek, student van de Rijksuniversiteit Groningen, een onderzoek uitvoert over het PaaS-model. Zodat wij ook blijven leren, en bedrijven nóg beter kunnen helpen met deze vraagstukken.

Transities; het biedt enorme kansen.

 

Jelmer

5 stappen naar een circulaire economie

In de vorige blog van collega Sven Jurgens kon u lezen over het belang van kwaliteit van grondstoffen om ze beter te kunnen recyclen. Net als dat ik eerder schreef over dat Kwaliteit Verkoopt als het gaat om de productie van duurzame producten, geldt dit ook voor grondstoffen. Kwaliteit van grondstoffen is essentieel willen we de opgave die voor ons ligt, een circulaire economie in 2050, realiseren.


De uitdaging is: hoe zorgen we er met elkaar en de keten voor dat de producten die we maken van origine kwalitatief hoogwaardig zijn en óók op kwaliteit blijven zodat ze beter hergebruikt kunnen worden? Dat houdt automatisch in dat we anders moeten gaan denken over de manier waarop we producten gebruiken.

Om te komen tot een Circulaire Economie zijn er diverse hordes die we moeten overwinnen. Naar mijn idee zijn de volgende vijf zaken van wezenlijk belang richting een volledig Circulaire Economie in 2050:

  1. Ga maar eens bij jezelf na hoeveel producten die je in huis hebt of je ze echt nodig hebt. En of je zelf een andere keuze kunt maken in de producten die je koopt en hoe ze bijvoorbeeld verpakt zijn. Grotere bedrijven kunnen nagaan of ze minder materiaal kunnen gebruiken of ander materiaal. Hoe minder materialen en producten we gebruiken hoe beter. Immers een beter milieu begin bij jezelf!
  2. Meer focus op hoe we de producten ontwerpen. Hoe maak ik mijn product nou zo dat het, in zijn geheel of onderdelen ervan, makkelijker her te gebruiken of te recyclen is? We hebben hiervoor echt de kennis in huis! Zo heeft NHL Stenden een Circulair Design Lab opgezet, en is het bedrijf House of Design een prachtig voorbeeld en inspiratie. De Tegenlicht uitzending uit 2006 over de Cradle 2 Cradle filosofie en theorie was voor mij een persoonlijke eye opener en inspiratiebron
  3. Het is essentieel dat we ervoor zorgen dat we de inzamelingsstructuur van onze grondstoffen goed organiseren. Dit kan bijvoorbeeld via een statiegeldsysteem (en dan niet alleen voor flessen maar ook voor bijvoorbeeld kleding of matrassen). Er zijn grote (sport)merken die al experimenteren met een dergelijk model. Nu vind ik H&M niet het streefbeeld van kwaliteit en duurzaamheid, maar eerlijk is eerlijk: je kunt er wel al je oude kleding inruilen tegen een kortingsbon.
  4. Ontwikkelen van technieken om de grondstoffen beter te recyclen. Die technieken zijn volop in ontwikkeling. Zo vindt er in Emmen chemische recycling plaats van polyesters. Polyester zit onder andere in sportkleding en tapijten. Met deze techniek kunnen de waardevolle grondstoffen weer terug naar dezelfde toepassing, iets wat nu nog onmogelijk is via mechanische recycling. De vraag naar de gerecyclede polyester grondstof is al groter dan het aanbod aan grondstoffen, dus de juiste inzameling en voorbewerking is van groot belang.
  5. Tot slot: het Product as a Service Model. Ik ben er heilig van overtuigd dat we in de toekomst niet meer gaan betalen voor eigendom maar voor gebruik.

De bovenstaande vijf punten zijn mijns inziens concrete en haalbare onderdelen die we met elkaar kunnen verkennen en realiseren. Waar ziet u belangrijke focus punten om te komen tot een volledig circulaire economie? Ik hoor graag hoe u dit ziet!

Willemien

Beweeggeld

De discussie over uitbreiding van het statiegeldsysteem loopt al vanaf begin jaren ’00 van deze eeuw. Onlangs laaide de discussie weer op, met het presenteren van conceptbesluit over het aanpassen van de regelgeving om ook op kleine flesjes statiegeld te kunnen heffen.


In Nederland wordt naar schatting jaarlijks 900 miljoen kleine PET flesjes en dubbel zoveel blikjes gebruikt. Hiervan komen ongeveer 150 – 260 miljoen flesjes en blikjes als zwerfafval op straat of in de natuur terecht. Door beide kanten worden verschillende oplossingen aangehaald voor dit probleem. Zo heeft een merendeel van de gemeenten onlangs gepleit voor uitbreiding van statiegeld naar blikjes en kleine flesjes. Daar tegenover staat het verpakkend bedrijfsleven, die in haar lobby juist pleit voor afschaffing van het statiegeldsysteem en inzet op bewustwording en alternatieve vormen van inzameling.

De argumenten die beide kampen gebruiken richten zich voornamelijk op reductie van zwerfafval (met name zwerfafval in Nederland, laat staan plastic dat naar de oceaan verdwijnt) en kosten van een dergelijk systeem. Tot nu toe slagen zij er echter niet in om tot een compromis te komen en heeft de regering de beslissing tot uitbreiding van het statiegeldsysteem steeds uitgesteld.

Misschien zit de impasse ook verborgen in het woord. Statie komt van het Latijnse ‘statio’ (denk ook aan ‘statisch’): het staan of stilstaan. Het statiegeld is daarmee staangeld: het geld voor iets dat men in bruikleen heeft staan*. Toch is statiegeld juist iets dat ons moet bewegen tot het retourneren van onze verpakkingen om deze hoogwaardig te kunnen recyclen.

Een punt dat nog vaak onderbelicht blijft in de discussie is de kwaliteit die het statiegeldsysteem levert. Verschillende kunststofrecyclers geven aan enkel de PET flessen uit het statiegeldsysteem te kunnen gebruiken in nieuwe voedselverpakkingen. Het materiaal dat via bronscheiding of nascheiding wordt opgehaald is te vervuild om aan de strenge eisen te voldoen. Het huidige statiegeldsysteem levert namelijk een homogene stroom van voornamelijk PET kunststof, zonder vervuiling van andere verpakkingen en aanhangend afval.

Als we met zijn allen naar een circulaire economie toe willen, nationaal als doel gesteld in 2050, kunnen we niet om kwaliteit heen. We kloppen onszelf op de borst met ingezamelde tonnen kunststof, maar als er niemand is die hierop zit te wachten zit je alsnog met een berg afval.

Statiegeld is wat dat betreft een middel en geen doel op zich.  Het doel is uiteindelijk een verantwoord materiaalgebruik en bijbehorende positieve milieueffecten. Als er zich alternatieven aandienen die een vergelijkbaar positief milieueffect hebben moeten we daar zeker open voor staan.

Echter, vooralsnog blijkt alleen hoogwaardige recycling via het statiegeldsysteem dit effect te hebben.

* zie ook www.trouw.nl

 

Sven

Klimaattop: Door de (kool)zure appel heen bijten

De komende twee weken wordt in Polen de jaarlijkse klimaattop gehouden. Door de tegenstrijdige belangen is het maar de vraag of men tot concrete afspraken komt. En dit terwijl de uitdaging alleen maar groter wordt. Laten we bijvoorbeeld eens inzoomen op Nederland:

Onze uitstoot per hoofd van de bevolking is tussen 1990 en 2017 afgenomen (van ongeveer 11 ton per inwoner naar 9,5 ton in 2017), toch is de totale uitstoot van CO2 uitstoot ongeveer gelijk gebleven, zo rond de 163 miljard ton in een jaar.

Zowel in de uitstoot van broeikasgassen per inwoner als in de opwek van hernieuwbare energie behoren we tot de slechtste jongens/meisjes van de klas in de EU.

Klik op het tabel om de afbeelding te vergroten

Dit is natuurlijk geen nieuws. Over de jaren is dit al vele malen benoemd en uitgemeten. Toch lijkt er qua daadwerkelijk inspanningen nog te weinig te gebeuren. De inspanning die nodig is om aan de afspraken in het Parijs akkoord te voldoen betekent een verdrie- tot vervijfvoudiging (!) van het huidige tempo.

De doelstellingen worden opgeschroefd, we discussiëren wat af over windmolens, biomassa bijstook en kernenergie, maar effectief beleid en acties om daadwerkelijk slagen te maken ontbreekt. Op een gegeven moment is er geen tijd meer voor discussie. Velen zullen zeggen dat deze tijd al gekomen en verstreken is.

Hoe dan toch deze impasse te doorbreken?

Op lokaal vlak is er veel enthousiasme en energie om met dit onderwerp aan de slag te gaan. Toch is er voor grote slagen veel meer coördinatie nodig op diverse (beleids)niveaus. Ondernemers willen niet de eerste zijn (en daarmee onnodig risico lopen) en wachten dus op elkaar. Daar lijkt uitstekend een rol weggelegd voor de overheid om dit te faciliteren en de juiste ‘prikkels’ te geven. Tijd om de prik uit de fles te nemen en door de (kool)zure appel heen te bijten.

 

Bron header: CBS.nl

Biobased & circulair: belemmeringen uit de praktijk

Onze grondstofbasis moet veranderen. We moeten daartoe meer biobased en/of circulair denken. Dit vooral vanwege de milieugevolgen van fossiele grondstoffen, zoals olie.  In plaats daarvan moeten we meer gebruik gaan maken van stromen van biologische oorsprong en/of stromen die worden teruggewonnen uit afval. In het laatste geval noemen we het geen afval meer trouwens, maar reststromen.

Er is veel potentie voor deze vervanging, vooral technisch. Economisch is het echter veelal nog een ander verhaal. Belangrijkste oorzaken: verborgen subsidies op fossiel en subsidies op toepassing naar energie in plaats van naar materialen. Een andere sta-in-de-weg voor een daadwerkelijke overgang naar biobased en circulair zit hem aan de institutionele kant. Meer concreet, bij de wet- & regelgeving. In deze blog een illustratie hiervan uit de KNN praktijk.

Een bedrijf uit ons netwerk produceert behalve haar hoofdproduct meerdere reststromen.  Eén daarvan bevat een significante hoeveelheid fosfaat. Dit maakt deze stroom in potentie geschikt als organische meststof of grondstof voor de kunstmestindustrie. In de huidige situatie dient er voor deze stroom een gate-fee betaald te worden voor de verwerking. Daarnaast was niet altijd duidelijk waar de stroom nu precies terecht komt en voor welke doeleinden. Al met al is hier ruimte voor verbetering.

Door de oorsprong en het productieproces werd vrij snel duidelijk dat het materiaal viel onder de Europese regeling dierlijke bijproducten (EC 1069/2009). Aan verwerkers van dergelijke bijproducten zijn strenge eisen verbonden. Zo moeten producten, transporteurs en verwerkers erkend zijn door de voedsel- en warenautoriteit; de NVWA. Vanuit het verleden is dit besloten, om de gevolgen voor o.a. milieu en volksgezondheid van lozing en verwijderen te reguleren. In de huidige situatie wordt er anders tegen deze materialen aangekeken en worden ze mogelijk geld waard. De bestaande regelgeving kan verwaarding van het materiaal in de weg zitten.

De Europese Commissie probeert hierin te voorzien door voor afvalproducten een einde-afvalstatus mogelijk te maken. Wanneer aan bepaalde voorwaarden voldaan is, kan deze status worden toegekend en is de afvalwetgeving niet meer van toepassing. De productie en hergebruik van struviet is in dit kader een mooi voorbeeld. Voor dierlijke bijproducten gelden echter andere eisen. Hier is een lijst met specifieke eindpunten vastgesteld, waar niet eenvoudig van afgeweken kan worden.

Zowel leverancier als potentiële afnemers van het materiaal hebben aangegeven economisch heil in het product te zien. In dit geval is voornamelijk de juridische status de bottleneck voor hoogwaardige toepassing. De Europese Commissie is bezig haar meststoffenwetgeving te herzien en hierin meer ruimte te maken voor herwonnen meststoffen. Hierin wordt getracht een link te leggen met omliggende wetgeving, zoals de Verordening dierlijke bijproducten en de wetgeving rond handel in grondstoffen (REACH). Totdat het zo ver is zijn er echter nog veel regels die een circulaire economie in de weg staan.

Sven

 

Presentatie uitkomsten stofstromenanalyse Noord-Nederland

In het afgelopen jaar hebben wij ons samen met het Amsterdamse Metabolic ingezet om de materiaalstromen in Noord-Nederland in kaart te brengen. Dit als vervolg op verscheidene voorgaande onderzoeken, zoals de kansen binnen de biobased economy in Noord4Bio en een vergelijkbare stromenstudie voor de provincie Friesland. De uitkomsten van de stofstromenanalyse in Noord-Nederland worden op donderdag 31 mei 2018 gepresenteerd aan de deelnemers van het onderzoek.

Voor de sectoren bouw, landbouw, afval en chemie zijn de grondstoffen, reststromen en afvalstromen in kaart gebracht. Door het aangaan van nieuwe samenwerkingen, doorlopende monitoring en het mogelijk te maken dat deze partijen elkaar weten te vinden kunnen er grote stappen worden gemaakt richting een circulaire economie in 2030. Om de opgave voor de sectoren verder te concretiseren zijn er een 9-tal transitiepaden benoemd. Met deze negen paden wordt een eerste aanzet gedaan voor een tijdspad en stappenplan. Het doel is om voor deze (en andere) transitiepaden eigenaarschap te vinden bij de bedrijven, organisaties, kennisinstellingen en overheden om deze stappen ook daadwerkelijk te gaan zetten.

De samenvatting van het onderzoek kan u hier vinden. Wilt u meer weten? Neem dan contact op met ons, of klik hier voor de volledige rapporten!

Biobased & circulair: belemmeringen uit de praktijk

Onze grondstofbasis moet veranderen. We moeten daartoe meer biobased en/of circulair denken. Dit vooral vanwege de milieugevolgen van fossiele grondstoffen zoals olie.  In plaats daarvan moeten we meer gebruik gaan maken van stromen van biologische oorsprong en/of stromen die worden teruggewonnen uit afval. In het laatste geval noemen we het geen afval meer trouwens, maar reststromen.

Er is veel potentie voor deze vervanging, vooral technisch. Economisch is het echter veelal nog een ander verhaal. Belangrijkste oorzaken: verborgen subsidies op fossiel en subsidies op toepassing naar energie in plaats van naar materialen. Een andere sta-in-de-weg voor een daadwerkelijke overgang naar biobased en circulair zit hem aan de institutionele kant. Meer concreet, bij de wet- & regelgeving. In deze blog een illustratie hiervan uit de KNN-praktijk.

Juridisch speelveld Reststromen (klik op de afbeelding om te vergroten)

Een bedrijf uit ons netwerk produceert behalve haar hoofdproduct meerdere reststromen.  Een daarvan bevat een significante hoeveelheid fosfaat. Dit maakt deze stroom in potentie geschikt als organische meststof of grondstof voor de kunstmestindustrie.

In de huidige situatie dient er voor deze stroom een gate-fee betaald te worden voor de verwerking. Daarnaast was niet altijd duidelijk waar de stroom nu precies terecht komt en voor welke doeleinden. Al met al is hier ruimte voor verbetering.

Door de oorsprong en het productieproces werd vrij snel duidelijk dat het materiaal viel onder de Europese regeling dierlijke bijproducten (EC 1069/2009). Aan verwerkers van dergelijke bijproducten zijn strenge eisen verbonden. Zo moeten producten, transporteurs en verwerkers erkend zijn door de voedsel- en warenautoriteit; de NVWA. Vanuit het verleden is dit besloten, om de gevolgen voor o.a. milieu en volksgezondheid van lozing en verwijderen te reguleren. In de huidige situatie wordt er anders tegen deze materialen aangekeken en worden ze mogelijk geld waard. De bestaande regelgeving kan verwaarding van het materiaal in de weg zitten.

De Europese Commissie probeert hierin te voorzien door voor afvalproducten een einde-afvalstatus mogelijk te maken. Wanneer aan bepaalde voorwaarden voldaan is, kan deze status worden toegekend en is de afvalwetgeving niet meer van toepassing. De productie en hergebruik van struviet is in dit kader een mooi voorbeeld. Voor dierlijke bijproducten gelden echter andere eisen. Hier is een lijst met specifieke eindpunten vastgesteld, waar niet eenvoudig van afgeweken kan worden.

Zowel leverancier als potentiële afnemers van het materiaal hebben aangegeven economisch heil in het product te zien. In dit geval is voornamelijk de juridische status de bottleneck voor hoogwaardige toepassing. De Europese Commissie is bezig haar meststoffenwetgeving te herzien en hierin meer ruimte te maken voor herwonnen meststoffen. Hierin wordt getracht een link te leggen met omliggende wetgeving, zoals de Verordening dierlijke bijproducten en de wetgeving rond handel in grondstoffen (REACH). Totdat het zo ver is zijn er echter nog veel regels die een circulaire economie in de weg staan.

 

Willemien en Sven

Energietransitie in de praktijk

Momenteel komt er veel op gemeenten af. Nederland heeft ingestemd met het Parijsakkoord, waardoor gemeenten aan de slag moeten om energieneutraal te worden. Daarnaast wordt er gewerkt aan de nieuwe Omgevingswet die in 2021 moet ingaan. De Omgevingswet is een positieve ontwikkeling voor de energietransitie, maar legt tegelijkertijd een aanzienlijk forsere taak neer bij de gemeenten. Energie komt in meerdere van de te samenvoegen wetten terug. Hierdoor is het ten eerste van belang dat er een alomvattend beeld is van de duurzame energie potentie binnen een gemeente. Dit maakt het makkelijker voor een gemeente om een visie op te stellen en vroegtijdig om tafel te gaan om draagvlak te creëren voor duurzame energie.
Ten tweede, en nog veel belangrijker, is de daadwerkelijke implementatie van deze visie middels de uitvoering van concrete projecten. Dit maakt het ook direct een meer uitdagende opgave, waar wij merken dat veel partijen mee worstelen. Daarom hieronder een aantal voorbeelden en tips om de uitvoering van de energietransitie vorm te geven.

Uitvoeringsplan

De nieuwe Omgevingswet leidt ertoe dat gemeenten een duidelijk beleids- en uitvoeringsplan moeten hebben. Het uitvoeringsplan combineert de technologische aspecten, de sociale aspecten en een uitgewerkte planning waar binnen de gewenste duurzaamheidsdoelen gehaald moeten worden. Hierbij is het van belang dat het uitvoeringsplan zo concreet mogelijk is. De volgende onderdelen moeten in ieder geval hierin terugkomen:

  • Omschrijving van plan
  • Bijdrage aan gemeentelijke doelstellingen
  • Concrete planning met milestones
  • Budget en het vaststellen van de projecteigenaar buiten de gemeentelijke organisatie

Een goed voorbeeld hiervan is het plan van de regio Noord-Oost Fryslân.

Bij de daadwerkelijke uitvoering zijn veel belanghebbenden betrokken. Deze kunnen op verschillende manieren betrokken worden bij het traject, zoals bijvoorbeeld middels serious gaming.

Om vast te kunnen stellen wat het effect is van de projecten in het uitvoeringsplan en om de voortgang in de gaten te kunnen houden, is het noodzakelijk om de uitvoering te blijven monitoren. Hoe sneller de feedback over het effect van een project, hoe eerder er wijzigingen doorgevoerd kunnen worden. Dit kan bijvoorbeeld middels real-time monitoring.

Serious gaming

Voor een succesvolle energietransitie binnen een gemeente is voldoende draagvlak van uiterst belang. Zonder voldoende draagvlak lopen duurzame energieprojecten vaak stuk. Slimme technologie biedt een nieuwe manier om het draagvlak voor duurzame energie binnen een gemeente te vergroten bijvoorbeeld via serious gaming. Serious games zijn spellen die gericht zijn om een boodschap over te dragen en kennis te vergroten. Hierbij kan gedacht worden aan een spel dat kinderen en ouders stimuleert om energie te besparen en inzicht te krijgen in het belang van duurzame energie. Het spel is niet alleen gericht op interactie met kinderen en ouders, maar kan ook competitief ingericht worden, bijvoorbeeld competities met je buurt/ wijk of dorp. Hierdoor wordt het “ownership” van projecten of maatregelen vergroot.

Realtime monitoring

Een goed monitoringssysteem is een belangrijk onderdeel van het uitvoeringsplan. De transitie van de situatie nu tot een volledige duurzame gemeente in 2050 is een continue proces. Tijdens dit proces worden er voortdurend projecten opgestart met elk hun eigen effecten op de energie transitie en op de duurzaamheid binnen de gemeente. Om ervoor te zorgen dat tijdens de transitie de juiste keuzes gemaakt worden, is het van belang om het proces te monitoren. Het monitoringssysteem kan informatie bieden over bijvoorbeeld:

  • Huidige stand van duurzame/ fossiele energie binnen de gemeente
  • Welke projecten het meest efficiënt zijn
  • Welke wijken achterlopen met verduurzaming
  • Welke gebieden geschikt zijn voor duurzame energie

Daarnaast is het een geschikt middel om automatisch de stand van zaken terug te koppelen naar burgers, maar ook naar de gemeenteraad. Hierdoor wordt de werkdruk verlaagd en het draagvlak vergroot.


Aardgasvrije wijken

In relatie tot de energietransitie staat ook het vraagstuk rondom het afbouwen van het gasverbruik. Dit vooral vanwege de aardbevingen in Groningen. Vanuit het Rijk wordt ondersteuning geboden om wijken aardgasvrij te maken. Momenteel is het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bezig met het opzetten van een proeftuin voor aardgasvrije wijken. Om hieraan mee te kunnen doen is op korte termijn (voor 1 juli 2018) een haalbaarheidsstudie en plan van aanpak nodig.


Wilt u meer informatie over de energietransitie en/of energiemonitoring? Neem dan contact op met Sven.

 

Een beter milieu begint bij…een festival?

Er wordt wel eens gezegd: het meest duurzame evenement is het evenement dat je niet organiseert. Met een beperkte blik is dit inderdaad waar. Toch heeft een evenement een veel grotere invloed dan enkel de directe milieu-impact. Door het tijdelijke karakter, de beperkte omvang en de uitstraling kan een evenement of festival veel doen voor de bewustwording van haar bezoekers.

Evenementenbeleid gemeente Groningen

In een traject voor de gemeente Groningen werkt KNN Advies (samen met Green Events Nederland) aan de verduurzaming van de evenementensector binnen de gemeente. Dit doen wij in eerste instantie middels een individueel begeleidingstraject voor drie evenementen en de vertaling van deze ervaringen naar een blauwdruk voor evenementenorganisatoren gemeentebreed.

De gemeente Groningen wil in 2035 energieneutraal zijn. Om die reden worden er over de hele breedte van de gemeente programma’s en acties opgezet, waaronder ook de evenementen. Om daar te komen kan zowel de wortel als de stok worden ingezet. Aan de voorkant wordt duidelijk gemaakt wat het einddoel moet zijn en dat dit over de tijd ook consequenties met zich meebrengt. Zo kan er in de vergunningaanvraag rekening worden gehouden met de duurzaamheidsaspecten en kunnen er bepaalde eisen of verboden worden ingesteld (bv. op dieselaggregaten). Tegelijkertijd wordt de transitie naar duurzamere evenementen gefaciliteerd door het opzetten van een centrale kennis- en vragenbank en in samenwerking met andere organisatoren gezocht worden naar versterkende effecten van samenwerking en kennisuitwisseling.

Nut en noodzaak

De motivatie om met duurzaamheid aan de slag te gaan verschilt per festival. Zo is het voor de één een marketingmiddel, terwijl door anderen het meer gezien wordt als morele verplichting. Ook kostenbesparing en interne motivatie zijn veel gehoorde drijfveren voor organisatoren. Hoe je het ook wendt of keert, om het voortbestaan van je festival te garanderen zul je het thema duurzaamheid moeten oppakken. Je kunt als organisator beginnen om inzicht te krijgen in de bestaande situatie middels het uitvoeren van een nulmeting en vervolgens acties inzetten gericht op het laaghangend fruit, om al op korte termijn bij te dragen aan een positief resultaat. Zowel voor milieu als voor de portemonnee.

Op wereldschaal is het directe milieu-effect van verduurzaming van een festival misschien te verwaarlozen. Laat je daardoor niet van de wijs brengen, want buiten het effect op planet en profit hebben festivals een grote sociale impact. Zo kan Groningen bijvoorbeeld haar gemeentebrede energieprogramma bij festivals in de schijnwerpers zetten. Door innovaties en interessante projecten te laten zien, te testen en hierover te communiceren wordt een grote groep inwoners bereikt die hier normaal gesproken niet meer in aanraking komen.

Een leuk voorbeeld van het gebruik van festivals als proeftuin is een organisatie als Innofest. Zij gebruiken festivals en andere evenementen als living lab, een testomgeving voor innovaties met relevantie ook (juist) buiten de festivalomgeving. Zo hebben zij al meerdere innovaties getest op onder andere Eurosonic-Noorderslag, Noorderzon, Paradigm, Welcome to the Village, TT Assen festival en Oerol.

Op zoek naar meer informatie? Neem dan contact op met Sven.